• hlb_01

    hlb_01

  • hlb_02

    hlb_02

  • hlb_03

    hlb_03

  • hlb_04

    hlb_04

Veenkoloniale AM precies in beeld

Logo zonder titelTitel ELF

 

 

 

 

De laatste jaren worden er op steeds meer plekken na de teelt van hoog-resistente aardappelen te hoge aardappelmoeheidsbesmettingen (G. pallida en/of G. rostochiensis) gevonden (zie ook TBM monitoring). Deze hogere AM-besmettingen worden veroorzaakt door een toename van de virulentie van de AM-populatie. Dit heeft op een aantal plekken zelfs tot duidelijk zichtbare (valplekken) schade geleid, welke ook door de NVWA via helikoptervluchten zijn gevonden. Het grote probleem is dat door een toename van de virulentie van heel verschillende AM-populaties, de rassen die in de officiële lijst met resistente rassen als gelijkwaardig zijn vermeld niet dezelfde resistente effecten op de AM-populatie geven. Er is dus meer kennis nodig om de AM populatie op een perceel met een goede rassenkeuze te beheersen. 

In het kader van het POP3 project “Innovatie veenkoloniën” heeft het HLB in samenwerking met een grote groep enthousiaste veenkoloniale aardappeltelers een 3-jarig project opgestart onder de naam “Veenkoloniale AM precies in beeld” . Hierbij worden telers door HLB begeleid in het monitoren van hun percelen en het maken van keuzes om de impact van deze nieuwe virulente AM-besmettingen op hun bedrijfsvoering  tot een minimum te reduceren. 

 

Uitvoering  project

Het eerste jaar is per teler zoveel mogelijk in kaart gebracht welke informatie per perceel bekend is. Telers moesten hiervoor van minimaal 5 percelen recente AM uitslagen hebben. De AM-problemen zijn hiermee zoveel mogelijk in beeld gebracht en vooral ook van welke percelen recente AM-gegevens nog missen. Aan de hand van deze informatie is samen met de teler een bemonsteringsplan gemaakt en is de rassenkeuze voor 2017 uitgebreid besproken. Bij een aantal telers is op 1 of meer percelen een besmetting gevonden (>3000 lle/200 ml) die geschikt was voor een rassenkeuzetoets. Op  www.hlbbv.nl vind je meer informatie over rassenkeuzetoetsen en het aanmeldformulier. Veel telers in het project hebben meerdere soortbepalingen en een rassenkeuzetoets laten uitvoeren. 

 

Resultaten

Algemeen

Doordat in de periode 2005-2015 weinig zichtbare schade door aardappelmoeheid in het veenkoloniaal zetmeelaardappelgebied is waargenomen, is gebleken dat de hoeveelheid AM bemonsteringen in deze periode sterk is afgenomen. Hierdoor zijn de veranderingen in AM-besmetting onder verschillende rassen in de laatste jaren van veel percelen onbekend. Wel is van veel percelen nog te achterhalen welke rassen tijdens de laatste aardappelteelten zijn geteeld. Deze informatie wordt samen met eventuele oude-  en nieuwe AM-monsteruitslagen in dit project zorgvuldig geregistreerd.  Belangrijk voordeel van deze registratie op bedrijfsniveau is, dat percelen die al enige tijd niet meer bemonsterd zijn zichtbaar worden en dat deze dan al snel in een bemonsteringsschema worden opgenomen.

De ervaring bij HLB met begeleiden van telers in het beheersen van lastige AM-populaties leert dat beheersing van AM begint bij een goede monitoring van de AM-besmettingen met een slim bemonsteringsregiem. De AM-uitslagen zijn uiteindelijk de basis voor de verdere keuzes die gemaakt moeten 

worden.

 

 Voorbeelden van de keuze die een teler samen met zijn HLB-adviseur moet maken zijn: 

- Welke aardappelrassen worden de komende jaren het liefst op dit bedrijf geteeld.

- Van welk perceel of welke percelen moet een rassenkeuzetoets worden uitgevoerd.

- Welke rassen moeten er in deze toets worden er getest.

- Wat is de beste verdeling van de rassen voor het komende jaar over de percelen.

- Moet er granulaat worden gebruikt en hoeveel om schade het komende jaar te voorkomen.

 

Al deze keuzes vragen veel inzicht in de materie, omdat  zowel resistentie als gebruiksdoel, opbrengst,  tolerantie, ervaring en gevoel van teler over een ras, en eventueel mogelijkheden van inzet van granulaat in het advies moeten worden meegenomen. 

Doordat er ontzettend veel virulentie (genetische?) verschillen zijn in  AM-populaties kan alleen door een gedegen advies in samenspraak met de teler, in combinatie met een slimme bemonstering en (meer) onderzoek de juiste aanpak per perceel worden gevonden. 

 

De effecten van al deze keuzes worden meestal pas op iets langere termijn goed zichtbaar. Met dit 3-jarige project kan dan ook alleen maar een eerste stap in de goede richting worden gezet.

 

Soortbepaling

In pootgoed en consumptieaardappelgebieden is soortbepaling bij een AM-vondst cruciaal voor de rassenkeuze. Veel gebruikte rassen in die gebieden hebben namelijk maar een beperkte resistentie. Doordat veel zetmeelrassen zowel G. rostochiensis als G. pallida resistent zijn werden de AM-monsters in het zetmeelgebied bijna niet op soort getest. Rond 2005 is bij HLB een groot aantal monsters uit dit gebied op soort bepaald en toen bleek dat G. pallida duidelijk de overhand had, maar dat er toch nog steeds enige G. rostochiensis aanwezig was.

In dit project worden alle monsters die door HLB worden verwerkt ook op soort bepaald. Tot nu toe  blijkt dat G. pallida nog steeds duidelijk de overhand heeft, maar dat het aantal mengbesmettingen en zuivere G. rostochiensis besmettingen in het zetmeelgebied toenemen.

 

Rassenkeuze

Voor veel percelen was het moeilijk geschikte rassen te adviseren voor 2017. Vooral omdat  er weinig kennis aanwezig was van de AM-situatie op perceels- en bedrijfsniveau van de laatste jaren. Door meer systematische bemonstering in combinatie met uitslagen van rassenkeuzetoets(en) zal deze rassenkeuze in de komende jaren steeds gerichter kunnen worden geadviseerd. 

Bij de resultaten van de rassenkeuzetoetsen is opvallend dat bij de meeste percelen, ondanks een be-perkt aantal geteste resistente rassen (meestal maar 6-7), toch wel 1 of 2 rassen worden gevonden die in de “beste groep” vallen. Van alle rassenkeuzetoetsen die in dit project zijn uitgevoerd is bekend  of het een G. rostochiensis, G. pallida of mengbesmetting betreft. Door de resultaten van alle rassenkeuzetoetsen in combinatie met de achterliggende perceelsgegevens goed te analyseren, proberen we voor het komende seizoen de keuze van de te testen rassen in de rassenkeuzetoetsen sterk te verbeteren. Hiermee wordt de kans op een goede match tussen een resistent ras en een virulente AM-populatie steeds groter. 

 

Bodemleven

Op een aantal percelen zijn in de zomer van 2017 op meerdere plaatsen in en rond valplekken grond-monsters genomen om de biodiversiteit aan saprofage  (niet plantparasitaire) aaltjes op meer of minder AM-besmette plekken in beeld te brengen. Hiermee kunnen eventuele relaties in de opbouw van verschillende saprofage-aaltjespopulaties en de natuurlijke weerbaarheid tegen aaltjes schade worden onderzocht. Door de resultaten van deze grondmonsters over verschillende jaren met elkaar te vergelijken, proberen we hier meer inzicht in te krijgen.

AMveenkolonin 

 

 

 

Conclusies na 1ste jaar

- Groot aantal telers doet enthousiast mee aan project.

- Er worden grote verschillen in virulentie van AM-populaties op perceelsniveau binnen een be-drijf gevonden.

- Soortbepaling is bij AM-besmettingen in het zetmeelaardappelgebied ook zeer belangrijk!

- Bij de rassenkeuzetoetsen zijn voor bijna alle getoetste percelen wel 1 of 2 rassen in de “beste groep (RV<12%)” tegen deze virulente populaties gevonden.

- Veel verschillende resistente rassen kunnen op een G. pallida besmet perceel als beste ras getest worden.

- Alleen rassenkeuzetoetsen kunnen op korte termijn meer informatie over de aanpak van de gevonden AM-populaties geven.  

- Bij alle getoetste virulente AM-populaties reageren “officieel gelijkwaardige” resistente rassen geheel verschillend. 

- Door de hoge tolerantie van veel zetmeelaardappelrassen worden beginnende virulente be-smettingen niet opgemerkt. Alleen bemonstering direct na de aardappelteelt geeft hierbij de meeste informatie.    

 

Aanbevelingen:

Algemeen:

- Hygiëne: blijft een belangrijk onderwerp, hou machines minimaal bezemschoon.

- Eigen vermeerdering: gebruik hiervoor alleen percelen met geen, of een  lichte AM-besmetting. 

- Maak een goed bemonsteringsplan om niet voor verassingen te komen staan.

- Als na bemonstering blijkt dat een ras weinig levende larven en eieren achterlaat is het niet zinvol om van ras te wisselen op het betreffende perceel.

 

Bemonstering:

- Bemonster zoveel mogelijk percelen direct na de oogst van aardappelen.

- Neem steeds een monster van 2,5 liter grond van maximaal 1 ha.

- Laat per monster 200 ml hiervan beoordelen op AM.

- Laat altijd minimaal 1 monster per perceel op soort bepalen.

- Bij voldoende larven per 200 ml (> 1000) kan een virulentietoets worden ingezet en bij meer larven  (>3000) kan een rassenkeuzetoets met meerdere rassen worden ingezet.

- Blijf percelen met virulente AM-populaties de eerstvolgende aardappelteelten intensief volgen via AM-bemonstering. 

 

 

Voor informatie over de AM problematiek, bemonstering, soortbepaling en rassenkeuzetoetsen kunt u contact opnemen met Egbert Schepel, Machiel Goosen of Marleen van de Griend

 

 Innovatieveenkolonien; POP3 - HLB is gestart met project 'Veenkoloniale AM precies in beeld'     

 

Toch regelmatige hoge AM-besmetting na teelt van hoog-resistente zetmeelaardappelras

 

Laatste Tweets

HLBbv RT @SoilCaresWorld: Happy #WorldFoodDay!🍒🍉🍎 #DYK 95% of our food is directly or indirectly produced on our soils? Healthy #soil means heal…
HLBbv RT @SoilCaresWorld: Nutrient deficiency in #soils impacts people’s health! Fertilizing crops can improve human health #FertilizerDay @Ferti
HLBbv RT @TTjarda: We konden weer los vanmorgen, na alle nattigheid. #HLBbv https://t.co/VMC96Rt94q

 

 

 

 
© 2012 - Designed by CommPro Automatisering